Roald Amundsen – De Noordwestelijke Doorvaart (страница 1)
Roald Amundsen
De Noordwestelijke Doorvaart / De Aarde en haar Volken, 1909
Uit Roald Amundsen’s verhaal van zijn pooltocht met de Gjöa van 1906 tot 1907.
Op het dek van de Gjöa.
Boven de ontdekkingsreizen, die de poollanden met hun eeuwig ijs tot doel hadden, spant zich niet alleen de reine glans, die afstraalt van de witte sneeuwvelden, maar ook de weerschijn van heilige geestdrift. Als men de expedities voor de vischvangst, waar het poolonderzoek overigens veel aan verplicht is, uitzondert, mag men gerust aannemen, dat zelfs de vurigste dweper den weg naar het poolland nooit heeft ingeslagen in de hoop, daar gouden bergen te vinden. De pooltochten zijn ondernomen in den dienst der wetenschap, en ondanks allen tegenspoed, waardoor zoovelen ontmoedigd en onverrichterzake moesten terugkeeren, zijn de stormloopen op dat onbekende telkens herhaald en tot het heden toe worden ze nog hernieuwd.
Er worden bressen geslagen in den ijsmuur, zoodat de pool wereld haar geheimen moet ontsluieren, en een groote overwinning behaalde Nordenskjöld, toen hij de Noordoostelijke Doorvaart in 1878 volvoerde. Reeds een menschenleeftijd vroeger hadden John Franklin en de Franklinexpedities de zekerheid gebracht, dat zich langs de noordkust van het noord-amerikaansche vasteland een strook open water bevond; en allerlei andere bressen zijn door stoutmoedige poolvaarders geopend; groote offers zijn ervoor gebracht, ook en vooral voor de Noordwestelijke Doorvaart.
Geen enkele tragedie van het poolijs heeft de menschen zoo diep getroffen als die van John Franklin en de zijnen; maar geen enkele heeft ook zoozeer tot hervatting van de poging aangespoord.
Men wist het, er moest een zeeweg wezen noordwaarts om Amerika heen, maar men wist niet, of er schepen door konden en nog niemand was ooit van het Oosten naar het Westen erdoor gevaren. Die onopgeloste vraag liet de gemoederen niet met rust, en zij was nooit uit de gedachten van iemand, wiens geest sinds zijn kinderjaren vervuld was geweest van het groote drama der Franklinexpeditie.
Zooals de
Dat had de
En ook de toekomstige kapitein zou het niet hebben durven vermoeden, toen de berichten over John Franklin zijn fantazie van acht- of negen jarigen knaap gevangen hielden. Ofschoon de knaap wel velerlei droomen kon!
De 30ste Mei van het jaar 1889 werd een merkwaardige dag in het leven van veel noorsche jongens. In het mijne ten minste is hij onvergetelijk. Het was de dag, toen Frithiof Nansen van zijn Groenlandsche reis terugkeerde. Op dien zonnigen dag kwam de jonge noorsche skilooper den fjord van Christiania binnenglijden, door de geheele wereld bewonderd om de moedige daad, die hij had volbracht, de overmoedige, de onmogelijk geachte daad! Mei vierde haar mooiste lentefeest aan den fjord, de stad vierde mee feest, en het volk liet zich niet onbetuigd.... Ik liep op dien dag met een snel kloppend hart tusschen de vlaggen en het hoerageroep. Al mijn droomen uit de kindsheid waren opnieuw ontwaakt, en voor de eerste maal ging door mijn innerste wezen de fluistering: “Als gij nog eens de Noordwestelijke Doorvaart zoudt kunnen tot stand brengen!”
Toen kwam het jaar 1893. En Nansen ging weer naar het Noorden.
Het was mij te moede, als moest ik mee!
Maar ik was nog te jong. Mijn moeder smeekte mij, thuis en bij mijn studie te blijven. En ik bleef.
Toen stierf mijn moeder. Een tijdlang streed ik den zwaren strijd, of ik haar wensch mocht weerstreven; maar het moest; niets kon mijn drang naar het verre doel tegenhouden; ik liet de studie varen en besloot mij voor te bereiden op het werk van den poolvaarder.
In het jaar 1894 voer ik op de oude
Van invloedrijke en wetenschappelijke mannen kreeg ik inlichtingen en goeden raad, en eindelijk kwam ook de dag, dat ik mijn plan aan Frithiof Nansen mocht voorleggen.
Nansen gaf zijn bijval, maar zelfs daarmee was nog niet alles bereikt, want voor een pooltocht is geld, veel geld noodig, en ik bezat niet veel. Dat, wat ik mijn eigendom kon noemen, was juist voldoende voor een schip en de wetenschappelijke instrumenten. En zoo bleef mij niets anders over dan er op uit te gaan, om te trachten belangstelling te wekken voor de expeditie bij menschen, die konden helpen. Het was een gang door spitsroeden, en ik wou dien niet graag nog eens overdoen! Maar de bemoedigende ervaringen waren het talrijkst; aan mijn drie broeders had ik veel steun.
Mijn keus van een schip viel op een in Tromsö thuis behoorend jacht, de
In het voorjaar van 1903 legde de
Het waren de eerste luitenant Godfred Hansen, geboren in Kopenhagen in 1876. Hij was eerste officier der expeditie. Gedurende zijn diensttijd bij de deensche marine had hij verscheiden vaarten naar IJsland en de Faröer gedaan en hij stelde levendig belang in het poolonderzoek. Behalve eerste officier was hij ook onze astronoom, geoloog en photograaf.
Dan Antoon Lund, eerste stuurman, geboren te Tromsö in 1864. Hij was al aan het varen naar het hooge Noorden gewend, daar hij op een walvischvaarder jaren lang harpoenier was geweest.
Verder Peter Ristvedt, geboren te Sandsvär in 1873, die als assistent aan de proefvaart van de
Helmer Hansen, tweede stuurman aan boord, geboren in Vesteralen in 1870, die al menige reis naar het Noorden had gedaan.
Gustav Juel Wiik, geboren te Horten in 1878. Hij had zijn opleiding genoten aan het magnetisch observatorium te Potsdam en was mijn helper bij de magnetische waarnemingen; hij was tweede machinist.
Adolf Hendrik Lindström, geboren te Hammerfest in 1865, de kok der expeditie. Als kok had hij deelgenomen aan de tweede ontdekkingsreis van de Fram.
Eenigen tijd bleven er nog geldzorgen, en eerst in Juni was alles in orde en wij konden aan boord van ons scheepje gaan en de vaart beginnen, om, als zoovele van onze voorgangers en in hun sporen, onze taak in den dienst der menschelijke wetenschap te aanvaarden.
De tijd van wachten was ons allen zwaar gevallen en het was een groote verlichting, toen we eindelijk de haven verlieten. Buiten de zeven deelnemers waren alleen nog maar mijn drie broeders aan boord, die ons den Christianiafjord uit wilden geleiden.
Om zes uur in den morgen bereikten we de haven van Horten, waar wij tweehonderd kilo schietkatoen innamen. Springstoffen kunnen bij een poolexpeditie van groot nut wezen, en het zou verkeerd zijn, ze niet mee te nemen, zelfs als men ze, zooals bij ons het geval was, blijkt niet noodig te hebben.
Om elf uur in den voormiddag waren we bij Färder. Het weer was beter geworden, en de regen had opgehouden. Toen we de boegseertros los wilden maken, brak die van zelf af en bespaarde ons dus moeite, en met volle zeilen voer de