Charley Brindley – Raji Boek Vier (страница 10)
"Denkt u dat ze het oké zou vinden als de kosten voor het telegram van haar rekening worden afgehouden?"
"Ik ben zeker dat ze met plezier zal betalen."
"Oké dan. Kom morgen terug tegen het einde van de dag en dan zal ik u zeggen als New York het telegram naar haar heeft kunnen sturen."
Ik gaf de naam en het adres van mijn moeder. "Wilt u vragen dat de telegrafist de boodschap exact verstuurt zoals ze geschreven is?"
Hij keek even naar de brief die op zijn bureau lag. "Mag ik?" vroeg hij en hij pakte de bladen vast. Blijkbaar wilde hij de brief lezen om zeker te zijn dat hij en zijn telegrafist begrepen wat erin stond.
"Ja, hoor."
Ik keek naar zijn gezicht terwijl hij las. Eerst fronste hij zijn wenkbrauwen en ik zag dat hij opnieuw van bij het begin begon te lezen. Dan glimlachte hij. Op de tweede bladzijde gniffelde hij. Hij grinnikte nog steeds toen hij klaar was met de laatste bladzijde.
"Wie is Marie?" Hij keek van het ene meisje naar het andere.
De meisjes stonden naast mijn stoel, elk aan een kant. Marie leunde dicht tegen me aan terwijl ze Mr. Brockman in de gaten hield.
"Ik ben Marie," fluisterde ze.
"Wel, Marie," zei hij, "je hebt een erg mooie brief naar je grootmoeder geschreven. En jij ook, Suu-Kyi." Hij knipoogde naar haar.
Ik keek naar de meisjes — ze glimlachten.
"Ik heb zelf een Birmaanse vrouw," zei Mr. Brockman. "En we zijn de ouders van een negenjarig jongetje. We hebben dus veel gemeen, u en ik."
"Ervaart u vaak vooroordelen, u en uw gezin?"
Hij lachte. "Sorry. Het is echt niet grappig. Alleen heb ik die vraag nog nooit zo rechtstreeks gehoord. Vooroordelen horen er altijd bij. Maar wat kunnen we eraan doen? Ik kan het aantal gemengde huwelijken waar ik weet van heb op de vingers van mijn rechterhand tellen. Al die koppels stellen het goed samen, maar we worden uit de meeste sociale gelegenheden buitengesloten - zowel Engelse als Birmaanse."
"Ik begrijp het. Kon ik Kayin maar vinden, dan zou het wel goedkomen voor ons vieren."
Er werd zacht op de deur van het kantoor van Mr. Brockman geklopt.
"Kom binnen."
Zijn secretaresse opende de deur en zei dat er een heer was aangekomen voor zijn afspraak.
"Ja, Mr. Fusilier," zei Mr. Brockman en hij ging staan en reikte me zijn hand over zijn bureau om afscheid te nemen. "We zullen uw brief precies zoals hij geschreven is, naar New York sturen, samen met de volledige instructies."
"Dank u wel, Mr. Brockman." Ik schudde zijn hand. "We komen morgen terug om te checken of u een antwoord gekregen hebt."
Tot mijn verrassing - en die van Mr. Brockman - ging Marie op haar tenen staan en stak haar hand uit om hem ook een hand te geven.
Zijn gezicht lichtte op en hij glimlachte breed toen hij haar hand aannam.
* * * * *
Op weg terug naar het hotel stopten we bij een klein café voor een kopje koffie en twee glazen melk. Terwijl ik toekeek hoe de meisjes hun melk dronken, dacht ik aan de schamele restjes eten in de lade van onze commode en dat ik een manier moest vinden om hen gezonder eten te geven.
We verlieten het café en liepen de 62ste Straat door. Ik vroeg hen me te tonen waar ze met tante Thuy gewoond hadden. Ze namen me mee door een zijstraat en staken verschillende steegjes over. Hoe verder we liepen, hoe slechter de buurt werd. Bakstenen en cement maakten plaats voor hout en klei. Na nog vier blokken leken de houten gebouwen in de vorige buurt chic in vergelijking met de golfplatenhutten met palmbladeren als dak. Open riolen liepen in het midden van de aarden wegen en haveloze kinderen speelden in het slijk, het afval en de vuiligheid. Wolken vliegen en muggen stegen op uit de viezigheid en kwamen rond ons zoemen. Ik ademde oppervlakkig om de afschuwelijke stank die opsteeg uit de groenachtige poelen vol viezigheid niet in te ademen.
Er rende een groepje kinderen van ergens tussen de vier en de twaalf jaar, in gescheurde kleren naar ons om te bedelen om munten. Ze trokken aan mijn handen en smeekten om geld of eten. We wandelden verder en ik probeerde hen te negeren, maar ze werden steeds brutaler. Ze renden rond ons en trokken aan mijn kleren en zakken. Ik wist dat er nog honderd andere radeloze kinderen naar buiten zouden komen als ik ze iets zou geven. Ik voelde me een gevoelloze toerist die zijn geld niet wilde delen met mensen die het nodig hadden.
Plots kreeg Marie er genoeg van en ze gaf de oudste jongen een trap tegen zijn scheen. Hij was een hoofd groter dan haar en had haar met gemak kunnen neerslaan, maar het enige wat hij deed was haar aanstaren terwijl hij over zijn been wreef.
"Maak dat je wegkomt, zoon van Ba Ma Yapaw!" schreeuwde ze in het Birmaans. "Anders zeg ik tegen de politie dat ze jullie allemaal naar de gevangenis moeten brengen, waar de hongerige gevangenen jullie zullen opeten. Keer nu maar terug naar jullie hol en laat mijn vader met rust."
De kinderen stoven weg in alle richtingen en stopten achter de hutten. Ik keek even naar Marie en ze glimlachte lief naar me.
"Daar is het huis van tante Thuy." Suu-Kyi wees naar een hut een klein beetje verder.
De hut was niet meer dan een paar roestige golfplaten die aan elkaar genageld waren. Het dak bestond uit palmbladeren met een groot gat in het midden om de rook van het kookvuur te laten ontsnappen.
De voordeur bestond uit een paar kromme planken die aan elkaar bevestigd waren. Een stuk touw deed dienst als grendel.
Ik klopte zacht, want ik was bang dat de deur uiteen zou vallen; geen antwoord. Ik klopte nog eens; niets.
"Tante Thuy is er niet," zei een klein stemmetje vlakbij.
Ik zag een jongetje van achter een andere hut aan de overkant van de weg piepen. Het was het jongetje naar wie Marie geschopt had.
"Waar is tante Thuy heengegaan?" vroeg ik in het Birmaans.
"Naar de hoofdman voor kippenpoten." De jongen dook weg.
"Waar..." Mijn stem brak. Ik slikte en probeerde het opnieuw. "Waar woonden jullie met je moeder voor je hier kwam wonen met tante Thuy?"
“Verderop op deze weg.” Marie wees in de steeg.
Verderop liep de open riool in het midden van de straat naar een rij vervallen hutten die tegen elkaar leunden alsof ze elkaar ondersteunden. Mocht een van de hutten afgebroken worden, zouden ze beslist allemaal instorten. De hutten stonden op de modderige oever van een mistroostige poel. Op het stilstaande water lag een laag vies slijm.
Ik pakte de meisjes bij de hand en begon terug te keren. Ik kon het niet meer aan, te weten dat ze onder zulke rottige omstandigheden geleefd hadden.
Mijn kinderen hadden nooit zo'n leven mogen doorstaan.
Toen we bij de eerste geplaveide straat kwamen, hield ik een riksja tegen en vroeg aan de man om ons naar het stadhuis te brengen. Ik wilde de geboorteaktes van de meisjes bekijken om te zien of ik informatie over Kayin kon vinden.
De rit naar de Myingyanwijk, waar de overheidsgebouwen waren, duurde een half uur. Te voet zouden we er twee uur of langer over gedaan hebben.
In het stadhuis duurde het bijna twintig minuten voor de gebogen, oude klerk het juiste register vond. Hij legde het zware boek op de balie en doorbladerde het, op zoek naar de namen van de meisjes. Uiteindelijk vond hij de juiste bladzijde en draaide hij het boek om zodat ik het zou kunnen lezen.
Ze waren geboren op 11 juli 1934. Kayin Mycin Yankiz was de naam van hun moeder. In het vakje waar de naam van de hun vader had moeten staan, was een groot, zwart vierkant dat bedekte wat er voordien geschreven had gestaan.
"Wat betekent dit?" vroeg ik aan de oude man. Mijn Birmaans was traag en ik had een zwaar Engels accent.
"Wat is u zegt?" vroeg hij, terwijl hij zijn grijs, vezelig haar van voor zijn oor veegde en er zijn hand rond legde.
Ik herhaalde de vraag en wees naar het zwarte vierkant.
Hij trok het boek naar zijn kant van de balie, verplaatste zijn minuscule, ronde bril van het topje van zijn neus naar zijn waterige ogen. Met zijn lange vingernagel volgde hij elke regel terwijl hij alles las tot hij bij het zwarte vakje kwam. Hij krabde met zijn vingernagel op het vakje en trok dan grote ogen als hij zag wat tevoorschijn kwam. De oude man keek naar mij en dan weer naar het vakje.
Er stond een soort van officiële stempel of zegel op. Het had een lichtrode kleur, was achthoekig en had een donkere cirkel in het midden. In de cirkel waren Birmaanse woorden geschreven en helemaal in het midden stond er een stempel die leek op een kroon. De onderste rand van de stempel overlapte het zwarte vierkant zoals een poststempel over een postzegel wordt gezet. In de cirkel stond er een handtekening.
De klerk keek over zijn schouder naar een jonge man die met zijn rug naar ons stond.
"Wat is dat?" vroeg ik.
Hij keek naar me met wijd open ogen. Ik wees naar de rode stempel en stelde mijn vraag opnieuw.
"Koninklijk zegel," fluisterde hij. "Mag niet kijken. Koninklijk zegel geheim. Het is verboden te zien." Hij sloot het boek en bracht het snel weg.
"Wacht even," riep ik hem achterna. "Ik wil dat bekijken."
Maar de oude man haastte zich naar de achterste kamer en sloeg de deur dicht.
De jongere man kwam naar de balie. "Wat is het voor u, alstublieft?" vroeg hij.